Thrombose en longembolie

Wat is trombose?

Trombose is een aandoening waarbij een stolsel wordt gevormd op een plaats waar dat niet hoort te gebeuren.

Ons systeem van bloedstolling is bedoeld om bloedverlies bij verwondingen te voorkomen. Als het systeem in werking treedt zonder dat sprake is van een bloeding, dan ontstaat in het bloedvat een bloedstolsel. Dit bloedstolsel noemen we trombose. Trombose heeft tot gevolg dat het bloedvat (een ader of een slagader) ter plaatse, of verderop in de bloedcirculatie, geheel of ten dele wordt afgesloten.

a trombose(1)

Indien een stolsel zich bevindt in een vene, spreekt met van een veneuze trombose. Meestal is er sprake van een trombose in de ader van een been (trombosebeen) of arm (trombosearm). Indien er een stukje van het stolsel losschiet, wordt dat in de bloedbaan versleept en loopt dit vast in de longen. Dit heet een longembolie.

Indien een stolsel zich bevindt in een slagader spreekt men van arteriële trombose. Indien dit in een van de slagaders in de hersenen betreft leidt dit tot een herseninfarct, indien het optreedt in een van de kransslagaders van het hart, leidt dit tot een hartinfarct.  Oorzaken en behandeling van arteriële trombose  is heel verschillende van veneuze trombose en zal hier verder niet besproken worden

Veneuze trombotische embolie (VTE)

De term veneuze trombotische embolie (VTE) wordt voor zowel diepe veneuze trombose (DVT) als voor een longembolie gebruikt

 Diepe veneuze trombose (DVT)

Diepe veneuze trombose (DVT) is de vorming van een bloedstolsel (een “trombus”) in de diep gelegen aderen (=venen) van het been. Het is een aandoening die kan leiden tot permanente schade aan het been (het zogenaamde post-trombotische syndroom), of – wanneer het stolsel los laat – een levensgevaarlijke longembolie.

De diepe aderen van het been zijn omringd door spiermassa’s die het zuurstofarme bloed naar de bloed en longen vervoeren. In de aderen bevinden zich kleppen die voorkomen dat het bloed tussen de hartslagen in, terugstroomt. Wanneer de bloedcirculatie vertraagt als gevolg van ziekte, letsel of inactiviteit, kan bloed zich ophopen en kan stolselvorming optreden.

Longembolie

Het bloedstolsel in een diepe ader kan afbreken en via de bloedbaan naar andere plaatsen van het lichaam reizen. We spreken in dat geval van een “embolus”. Een embolus kan een slagader in de longen blokkeren. Door de gebrekkige bloedtoevoer naar longweefsel die dan optreedt, kan schade aan een deel van de long ontstaan.

Symptomen

De symptomen bij een DVT zijn:

  • verkleuring van de benen en een warme huid;
  • pijn van de kuit of het been;
  • zwelling van de kuit of het been;
  • de oppervlakkige aderen zijn meer zichtbaar;
  • vermoeidheid in de benen.

De symptomen van een longembolie zijn niet specifiek voor dit ziektebeeld en komen ook bij andere aandoeningen van hart en longen voor:

  • kortademigheid;
  • een snelle pols;
  • overmatig zweten;
  • pijn op de borst;
  • het ophoesten van bloed;
  • flauwvallen.

Diagnose

  • Radiologisch onderzoek:
    • Een echografie van de bloedvaten in het aangedane been of een venografie waarbij een kleurstof in de ader wordt geinjecteerd. Deze kleurstof maakt de ader – en eventuele stolsels – zichtbaar op een röntgenfoto. Minder gebruikte radiologische testen zijn een MRI of CT-scan
    • Bij de verdenking van het bestaan van een longembolie wordt meestal een CT scan van de longen gemaakt . Hiermee kan een longembolie worden vastgesteld of uitgesloten. .

Oorzaken trombose

DVT en longembolie onstaan als het evenwicht tussen stolling en antistolling is verstoord.  Bij het zoeken naar een verklaring voor het optreden van een veneuze trombose wordt er onderscheid gemaakt tussen oorzaken die verworven zijn en oorzaken die erfelijk bepaald zijn. Het is echter lang niet altijd duidelijk waar de trombose vandaan komt.

Trombose kan ontstaan als de bloedstroom vertraagd is, zoals bij langdurige bedrust of na een operatie. Ook een veranderde samenstelling van het bloed kan een trombose veroorzaken, bij voorbeeld bij een tekort aan remmers van de bloedstolling of een teveel aan bloedcellen. In sommige families komt trombose vaker voor, doordat de samenstelling van de stollingsfactoren anders is.

De meest voorkomende oorzaken van trombose zijn:

  • langdurig onbeweeglijk zijn van een arm of been (bijvoorbeeld door gips)
  • ernstig overgewicht
  • operaties onder algehele verdoving (narcose)
  • zwangerschap en kraambed
  • ernstige ziektes, zoals kanker of infecties
  • aangeboren afwijkingen in het stollingssysteem (erfelijke trombofilie)

Erfelijke trombofilie

Genetische oorzaken van overmatige bloedstolling zijn meestal te wijten aan gen-mutaties (veranderingen van een gen) die voor een verhoogd trombine gehalte in het bloed zorgen of de stolling onvoldoende remmen: Deze afwijkingen kunnen met een bloedtest worden aangetoond. In overleg met uw arts wordt bepaald of zinvol is om onderzoek te doen naar onderliggende oorzaken.  Onder de erfelijke trombofiliefactoren kennen we antithrombine III deficiëntie (1/200-1/400 van de bevolking), Proteïne C en S deficiëntie (1/200-1/500), Factor V Leiden (2-7/100, ), Prothrombine mutatie (2-3/100) en hyperhomocysteinemie. Onder de verworven trombofiliefactoren rekenen we het lupus anticoagulans en kanker.

Behandeling DVT en longembolie

Momenteel zijn verschillende soorten antistollingsmiddelen voorhanden.  De duur van de behandeling hangt af van de oorzaak van de trombose en wordt bepaald in overleg met de internist.

Heparine

Bij het ontstaan van een trombosebeen of een longembolie kan uw arts u heparine of laag moleculair gewicht heparine voorschrijven. Beide middelen zorgen ervoor dat de trombose zich niet verder uitbreidt en er geen embolie ontstaat. Heparine dient men toe via een infuus. Laag moleculair gewicht heparine wordt als een spuitje onder de huid gegeven. Beide middelen kunnen ook gegeven worden om trombose te voorkomen, bijvoorbeeld na een operatie.

Cumarines 
Acenocoumarol (sintrommitis) en fenprocoumon (marcoumar)

Om het bloed te laten stollen, bijvoorbeeld na een verwonding, maakt ons lichaam zelf de benodigde stoffen aan. Deze stoffen noemen we stollingsfactoren. Om enkele van deze factoren te kunnen maken heeft het lichaam vitamine K nodig. Vitamine K wordt in het lichaam in de darmen gemaakt. Daarnaast komt het voor in ons voedsel, met name in groene groentes, zoals boerenkool en spinazie.

Acenocoumarol en fenprocoumon zijn medicijnen die de werking van vitamine K tegengaan. Ze zorgen ervoor dat ons lichaam minder stollingsfactoren kan aanmaken. Het bloed wordt als het ware minder stolbaar gemaakt, waardoor de kans op het ontstaan van trombose kleiner is. Als de aanmaak van de stollingsfactoren echter volledig wordt geblokkeerd kan dat leiden tot (levens)gevaarlijke bloedingen. Het is dus de bedoeling dat de medicijnen enerzijds het bloed minder stolbaar maken, maar anderzijds nog genoeg stolling overlaten om ons bijvoorbeeld bij een wondje te beschermen. Om dat te bereiken moeten mensen die acenocoumarol of fenprocoumon innemen op gezette tijden precies de juiste hoeveelheid tabletten slikken. Door de  INR-waarde bij u te bepalen controleert de trombosedienst of u de juiste hoeveelheid cumarinetabletten slikt.

Voor meer informatie zie www.trombosestichting.nl

 Elastische kousen

Een belangrijk onderdeel in de behandeling van veneuze trombose vormen de therapeutische elastische kousen Elastische kousen zorgen ervoor dat het teveel aan vocht dat zich in een lichaamsdeel bevindt (oedeem), wordt afgevoerd. Hiertoe is het lichaam zelf niet goed meer in staat . U krijgt elastische kousen na zwachteltherapie. De zwachtels worden gebruikt ter bestrijding van vocht in het been (oedeem). Na enige tijd dragen van zwachtels is het vocht uit uw been verdwenen. Als u daarna elastische kousen gaat dragen, blijft er een constante druk op uw benen. Hierdoor wordt het vocht gedwongen in de bloedbaan te blijven en kan er dus niet opnieuw oedeem ontstaan.

De dermatolooog geeft op het recept aan voor welke periode u de kous moet dragen, wat de lengte van de kous moet zijn en welke drukklasse de kous moet hebben. De drukklasse geeft aan hoeveel druk er op het lichaamsdeel moet komen te staan om overtollig vocht te kunnen afvoeren.

Als u de kousen niet zou dragen, is de kans groot dat u snel weer dikke enkels of benen krijgt.

De elastische kousen moeten van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat gedragen worden. Het is van belang dat u de kousen ’s morgens voordat u opstaat aantrekt, omdat er dan nog geen vocht (oedeem) in de benen zit.  Als uw benen toch al wat dik zijn geworden, is het verstandig uw benen eerst enige tijd hoog te leggen.

Leefregels bij trombose (algemeen)
Wanneer u wordt behandeld voor trombose, dan moet u enkele leefregels in acht nemen:
· neem iedere dag de voorgeschreven medicijnen in. Bent u een dag een tablet vergeten, neem die dan niet de volgende dag alsnog in. Breng wel de trombosedienst op de hoogte;
· slik geen andere medicijnen zonder overleg met de trombosedienst. Bepaalde medicijnen versterken of verzwakken namelijk de werking van de stollingsmiddelen en dat kan gevaarlijk zijn;
· waarschuw bij ernstige bloedingen direct de huisarts en de trombosedienst;
· overleg ruimschoots van tevoren met de trombosedienst als u tanden of kiezen moet laten trekken. Eventueel moeten maatregelen genomen worden om nabloedingen te voorkomen;
· breng de trombosedienst tijdig op de hoogte van uw vakantieplannen. Tijdens een lange vakantie moet u misschien gecontroleerd worden door een andere (buitenlandse) trombosedienst.

Wat kunt U zelf doen om trombose te voorkomen

Als u in situaties komt met langdurige immobilisatie (stilzitten) zoals een vliegreis, dan raden wij u aan af en toe de benen te strekken of een stukje te lopen, geen alcoholische dranken of koffie te drinken. Het dragen van elastische kousen verminderd het risico ook. Ook kunt U bij uw arts informeren of bij langdurige vliegreizen( langer dan 12 uur) bloedverdunnende medicijn voor de duur van de vlucht in uw situatie zinvol zijn.  Als uw langdurig bedlegerig bent of zwanger bent en eerder een trobose hebt doorgemaakt is het verstandig met uw arts te overleggen of bloedverdunnende medicijnen te adviseren zijn.

Gevolgen op langere termijn

Post-trombotisch Syndroom

Korte of langere tijd nadat u een trombosebeen hebt gehad, kunt u nieuwe klachten aan uw been krijgen. Dit heet het posttrombotisch syndroom. Het posttrombotisch syndroom ontwikkelt zich meestal binnen twee jaar. Het treft ongeveer 50% van de mensen met een trombosebeen. kunt de kans op het posttrombotisch syndroom halveren door na een trombosebeen consequent de elastische steunkousen te dragen.

De oorzaak van het posttrombotisch syndroom is een beschadiging van de diep gelegen aders in het been. De schade is ontstaan door diep veneuze trombose. De aders hebben een systeem van ´sluiskleppen´ waardoor het bloed alleen van beneden naar boven (en van de oppervlakte naar de diepte) kan stromen. Een uitgebreide diep veneuze trombose in het been kan deze kleppen beschadigen. Het bloed wordt dan niet meer goed weggepompt uit het been. Hierdoor ontstaat er een hoge druk in de aders, met de klachten van het posttrombotisch syndroom ais gevolg.

De verschijnselen van het posttrombotisch syndroom kunnen vrij mild zijn. De eerste verschijnselen zijn een moe of zwaar gevoel in de benen. Uw been is waarschijnlijk wat gezwollen in de loop van de dag en u kunt last krijgen van spataders en uitgezette bloedvaten. Uw huid kan bruin en vlekkerig verkleuren. Veel mensen met het posttrombotisch syndroom hebben pijn aan het been. Een ernstige klacht is een open been. Door de problemen in de bloedvaten van het been kunnen open wonden ontstaan, die moeilijk genezen. Vooral als u een staand beroep hebt, kan het posttrombotisch syndroom vervelende gevolgen hebben. De klachten kunnen lang staan onmogelijk maken.

Wetenschappelijk onderzoek

Om de behandeling van patiënten met diep veneuze trombose en longembolie te verbeteren wordt voortdurend onderzocht of nieuwe medicijnen de behandeling van trombose kunnen verbeteren. Sinds 2008 werkt het Wilhelmina Ziekenhuis mee aan dit soort onderzoeken.

Momenteel werkt het Wilhelmina Ziekenhuis  mee aan twee internationale onderzoeken.

De Xalia studie is een observatiestudie die de werking van het nieuwe antistollingsmedicijn Xarelto bestudeert. Deze studie is naar verwachting medio 2015 afgerond in het WZA.

De Einstein Choice studie beoordeelt of een verlengde behandeling met bestaande bloedverdunnende medicijnen er voor zorgt dat hernieuwd optreden van een trombosebeen of longembolie minder vaak voorkomt. Deze studie is recent (oktober 2014) gestart. Voor meer informatie leest u de patiënteninformatiebrief.

wza-button1

Bronvermelding en nuttige websites:

www.factorVLeiden.nl

www.fnt.nl

www.trombosestichting.nl

www.hematology.nl